Beschouwen

Levensbeschouwing is een manier waarop je kijkt, vanuit een principe, een denkbeeld, geloof of dogma. Noem maar op.
Levensbeschouwing is nogal statisch. Je kunt weleens nieuwe inzichten verwerven en het anders gaan zien. Mooier nog vind ik om er een werkwoord van te maken. Levenbeschouwen, zoiets wordt het dan. Beschouw je leven eens los van je aannames en overtuiging. Kijk eens niet door dat standaard filter.
In plaats daarvan een beetje afstand nemen, of juist heel dichtbij komen, of allebei. En kijken wat je écht ziet. Met een open blik. Moest ik even aan wennen. De meeste dingen heb ik allang in een vakje gestopt. Nu eens buiten het vakje denken en kijken. Dan ontdek je leuke dingen, mooie dingen. En telkens iets over jezelf. Over wat je denkt dat je denkt. Over wie je denkt dat je bent.

Het is een leuk spel. Jezelf leren zien. Leren jezelf zien.
Het resultaat is soms dat ik een bepaalde emotie voel én dat ik doorkrijg dat het een reactie is die ik helemaal niet wil. Word ik bijvoorbeeld boos en snap ik even later dat het onzin is om boos te zijn. Dan kan ik er een glimlach voor in de plaats toveren. Een echte glimlach, eentje ‘van mij’.

Probeer het maar eens. Het is niet hetzelfde als relativeren. Dat wat je beter kunt als er bijvoorbeeld iets ergs gebeurt. Dan worden belangrijke dingen even iets minder belangrijk. Klamp je je vaak nog sterker vast aan je levensbeschouwing.

Merk dat het vooral je negatieve reacties zijn die je hebt gestandaardiseerd. Afwijzingen van wat (wie) er allemaal niet voldoet aan jouw levensbeschouwing. Bekijk het eens anders. Bedenk dat een ander de dingen heel anders kan beschouwen dan jij. Kan jij het dus ook. Moet je het wel willen… Niet vinden dat die ander geen gelijk heeft. Is wat jij vindt de enige echte waarheid?

Ik weet een aardige manier om het beschouwen een beetje uit te proberen. Probeer je voor te stellen hoe je hond, je kat of je paard de wereld ervaart. Je parkiet voor mijn part. Het dier heeft geen notie van jouw levensbeschouwing. Je bent geneigd om jouw denkbeelden en emoties op hem/haar te projecteren. Wat je vast al hebt gezien is hoe onvoorwaardelijk het dier met jou omgaat. Dat is een mooi vertrekpunt om het leven te beschouwen denk ik. Nu in het echt dus.

Ik ken iemand die dat het filter van de liefde noemt. Deel jouw levensbeschouwing met een ander én ga er niet vanuit dat iedereen er zo over denkt. Laat een ander vrij. Liefde dwingt nooit.
Blijven beschouwen dat leven!

Vissen

Als het eindelijk voor de zoveelste keer weer goed gaat en het voelt niet goed. Lijf doet het weer. Hoofd legt het hoofd in de schoot. Soort bungee jumpen en als je beneden bent dat het elastiek uit het elastiek is. Zie je de vissen in de toevallig diepe rivier nieuwsgierig naar je kijken. En zelf wens je dat je nu bij de vissen mag blijven. Wel een keer klaar met afwachten hoe deze sprong afloopt. Liever verzuipen dan nog eens springen. Soms weet ik niet eens dat ik spring. Alsof je van de trap afdondert.

Zo voelde het de laatste keer toen lijf me in de steek liet, ik niet meer wist of ik m’n lichaam nog vertrouwen kon. Ik word natuurlijk niet in de steek gelaten. Lijf is geen verzekering tegen het kwaad. Het heet leven. Gezien de omstandigheden heb ik helemaal niets te klagen.
Ik wil even heel gewoon zijn. Niets bijzonders. Niks aan m’n hoofd. Geen vissen.

Dat was een paar weken geleden. Niet boos hoor. Woest. Als ik het teruglees klopt het helemaal. Nu voelt het weer anders. Weet ik dat mijn conditie nog heel veel beter kan worden. Als ik eens een jaar of twee uit de greep van de virusjes kan blijven. Dat ik eigenlijk een boel pech heb. Pech in het verleden is geen garantie voor geluk in de toekomst. Daar kan je alle kanten mee op. Ik wil er maar een. Vooruit.

Huilen en lachen zijn geen tegenovergestelden. Ze doen samen. Het een niet zonder het ander. Dacht altijd dat je verdriet en boosheid geen ruimte moet geven. Er waren toch ergere dingen in de wereld?

Ben klaar voor opnieuw leven. Niet alleen maar in de zin van herstellen. Een nieuw leven kreeg ik al, nu nog opnieuw leven. Dat is wel een mooie gedachte. Sprak iemand over het vieren van je verjaar-dag. Dat klinkt een beetje alsof je binnenkort over de houdbaarheidsdatum bent. Zij vindt het vieren dat je bent geboren een mooiere insteek. Is het ook. Eind september vier ik m’n nieuwe geboortedag. Dan is het twee jaar geleden dat ik een nieuwe nier kreeg.

Denkbeeld

Ik denk dat je er nog bent als je er niet meer bent. Zoals er verbinding is zonder woorden en zonder dat afstand een rol speelt tussen levenden. Vraag me niet hoe. Niemand weet dat. Ik ervaar het zo. Waarom denk ik dit en jij misschien weer iets anders?

Hoe zal het zijn? Kom je aan de hemelpoort en moet je daar nog een laatste vraag beantwoorden. Het aardse ontsnappen. De hemelse escape room. Als ik dat moet doen, of een willekeurig iemand uit Japan wat kan dan de vraag zijn? Als ik in Japan was opgegroeid was ik waarschijnlijk een shintoïst en/of een boeddhist. Dat kan je daar allebei tegelijk zijn.

Denken in wat een ander niet gelooft en jij juist wel hebben we gecultiveerd. Er zit een vrijwel automatisch oordeel aan vast. Je eigen geloof is het ware. Dat lijkt me een nogal betrekkelijke opvatting.

Ik heb er wel een voorstelling van, hoe dat gaat met die laatste vraag.
In de jaren zestig hadden we een kapper. Op woensdagmiddag zat een hele rij jongens langs de muur van de kapsalon. Drie kwartjes voor de kapper en een stuiver voor drop. De Sjors en Sjimmie lezen tijdens het wachten. Als je mazzel had mocht je haren opvegen met een zachte bezem. Het leukste was het luik. Een vierkant in de vloer met een oog aan de ene- en scharnieren aan de andere kant. Aan dat oog zat een koord, dat liep door een tweede oog aan het plafond en weer naar beneden. Trek eraan en het luik gaat open. Daaronder was het zwarte gat, waar eindeloos veel haren in passen.

Die constructie met dat luik hè. Dat zie ik helemaal voor me. Het is geen grimmige gedachte. Moet erom lachen. Er zijn vast gelovigen verknocht aan het denkbeeld van zo’n Kapper. Leuk de boel aanvegen en het luik bedienen. Heidenen in het zwarte gat.

En de vraag dan, die laatste vraag? Het maakt niet uit volgens mij. God, Boeddha en de Kami, de shinto godheden kijken niet zo naar mensen denk ik. Iedereen is welkom.
Ik ben niet katholiek of gereformeerd, geen boeddhist of shintoïst. Ik ben gewoon ‘niks’. En dat is niet weinig. Het wil ook niet zeggen dat ik beter ben dan jij, als je wat anders gelooft.

Ik heb een steen, een groot formaat kiezelsteen. Die ligt in m’n tuin. Ik sleep hem al een levenlang mee. Was 7 jaar toen ik hem vond op een bouwterrrein. Mijn steen. Op de treeplank van mijn step kreeg ik het ding mee naar huis. Hoe lang is ie er al en hoe lang zal hij er nog zijn? Als die steen eens praten kon.

In het shintoïsme kan de steen een natuurgod zijn. Een Kami. Als je dat afgoderij vindt of een lachertje, bedenk dan eens wat je er misschien van zou vinden als je in Japan was opgegroeid.

Warmte

Als ik nu begin over warmte, dan gaat het over de temperatuur. Hitte zou een betere aanduiding zijn. De hittegolf gaat nog wel een weekje duren las ik. Ik ben er geen liefhebber van. Het is 11 uur ’s ochtends en ik heb net de isolerende dupli’s neergelaten. Nog voor de zon er op staat. Eigenlijk heten die dingen plisségordijnen. Zo te horen heb ik een vette bromvlieg erachter opgesloten. Dat heeft een nostalgisch effect. Ik denk aan het geluid van een in het sluike gras neerploffende peer. Daarna het gezoem van opvliegende vliegen. Ik vroeg me dan af hoe groot de kans is om er eentje op m’n kop te krijgen. Zittend in de schaduw onder de perenboom. De hond, tong uit de bek, naast me. Te warme warmte vreet energie. Sloomheid is het gevolg.

Er is meer warmte. Andere warmte. Waar ik niet sloom van word. Die niet wordt aangevoerd door een hogedrukgebied. Die je voelt als je praat met iemand die je na staat. Over vakantie, over het weer en over hoe het gaat. Gewone dingen. Behaaglijke warmte. Zit ik in mijn nog koele kamer na te denken over warme warmte. De hitte ontvlucht.

Tijdloos

Ik heb een klok. Eentje die al veel tijd heeft aangegeven. Wel genoeg. Het is een tijdloze klok. Hij staat stil. Voor altijd tien voor half vijf. Waarom ik bij die tijd altijd aan het begin van de avond denk weet ik niet. Hij kan wel weer tijd aangeven. Nieuw batterijtje erin. Daarom alleen al mag hij stilstaan. Het originele opwinduurwerk is ooit vervangen door een modern exemplaar. Vernieuwing was hier geen vooruitgang. Wat heb je aan een klok die nauwkeurig de tijd aangeeft als ie mooier is zonder tijd. Tijdloos.

Ik heb het opgezocht: tijdloos – bijvoeglijk naamwoord uitspraak: tijd-loos 1. niet aan tijd gebonden ♢ die mantel van haar is tijdloos, hij raakt niet uit de mode Bijvoeglijk naamwoord: tijd-loos … is tijdlozer dan … de/het tijdloze …

Klopt niks van, van die definitie. Neem alleen het woord ‘mantel’. Het is ook niet het tijdloos dat ik bedoel. Dat heb ik vaker. Dat ik iets bedoel en dat er geen definitie voor is. Dat is goed. Niet alles wat je weet of wat je voelt kan je in een vakje stoppen. Dat houden we zo. Ik ben niet van de vakjes. Dat is wel eens lastig. Als ze niet goed weten in welk vakje ik pas. Dat is niet mijn probleem.

Die klok is zo’n gevoel. Dat weet ik. Ik ken hem allang. Stond ie te tikken en op tijd te zijn in een stille voorkamer. Daar kwam je niet op klompen. Die was voor de koffie op zondag en voor verjaardagen. Jenever met een schepje suiker en een piepklein lepeltje. Ik mocht ’s zomers de loodgroene luiken dichtdoen. Met een ijzeren schuif ervoor. Aangenaam koel en donker binnen. Je hoort de klok dan meer dan je hem ziet.
Het mag best een beetje tijdlozer.

Bos

Ik heb jarenlang bospercelen op de Veluwe in kaart gebracht. In een tijd dat GPS nog duur was. Te duur om ter beschikking te stellen aan een vrijwillige bosschouwer. Het resultaat moest zijn een kaartje waarop nauwkeurig ingetekend wat er groeit en leeft in het betreffende perceel. Denk aan vogelsoorten, haviksnesten, hulstbegroeiing en mierenhopen. Daarmee kan de FSC (Forest Stewardship Council) certificatie van het bos en daarmee van het te oogsten hout worden gewaarborgd. Het lukt sommige bosaannemers ondanks dat om alles ‘schoon’ op te leveren. Waar bomen gehakt worden vallen spaanders.
De kunst was om me te oriënteren in het bos en telkens de juiste locatie te bepalen. Nu niet gelijk roepen dat je wel snapt waarom die aannemers alles platwalsten. Nee, als je weet hoe kan je tot op enkele meters nauwkeurig bepalen waar je bent. Aan de hand van een geschikt kaartje.

Je moet kijken. Op een andere manier dan alleen maar door het bos wandelend. Je moet er letterlijk bij stilstaan. Observeren, horen, zien. Dan gebeurt er iets moois. Het bos begint te leven waar je bij staat. Het bos gebeurt. Je ziet dat een specht na tien minuten terugkomt bij een boom, dat de zwerm Kepen telkens neerstrijkt in hetzelfde struweel. Als het begint te hagelen hoor je de hagel ruisend op het afgevallen blad dichterbij komen. Je hoort zacht geritsel in het blad. Even later zie je een bosmuisje scharrelen. Je voelt het bos.

Een FSC-keurmerk voor het bos is nuttig. Misschien is een keurmerk voor je eigen leven ook wel wat. Niet met door anderen opgelegde regels. Juist niet. Helemaal geen regels. Een beetje stilstaan bij jezelf. Filosoferen over de waarde en de inhoud ervan. Vind ik moeilijk. Vaak zie ik door de bomen m’n eigen bos niet meer. Dan wandel ik door mijn leven in de veronderstelling dat ik erbij stilsta. Ik voel verzet en teleurstelling. Boosheid en verdriet, zoals twee weken geleden. Ga er maar even bij stilstaan als je alweer in het ziekenhuis wordt opgenomen. De lijdzaamheid was deze keer ver te zoeken. Ik kreeg vroeger altijd te horen dat er nog veel ergere dingen zijn in de wereld. Nou, daar knap je dan gelijk van op.
Waar zit dan de draai, zodat mijn eigen bos begint te leven? Stel je voor, je loopt door een echt bos en je gaat er deze keer eens goed bij stilstaan. Alleen vandaag geen Keep te zien, Die verdomde specht komt niet terug. Sterker nog, helemaal geen spechten vandaag. Hulst en bosmuisjes? In your dreams! Niks hagel, je regent gewoon zeiknat.

Ik moet er om lachen als ik het schrijf. Boosheid en frustratie zitten me in de weg. Duurde even eer ik dat wilde erkennen. Het eerste deel van deze blogpost had ik zo geschreven. Heb er een paar dagen over gedaan voordat ik begreep hoe de andere helft eruit moest gaan zien. Ik schut ze ook niet zomaar uit m’n mouw. Wel fijn, dat als ik het aan jou wil vertellen ik er zelf bij stil moet staan.

Regen

Buiten lopen ze in de regen. Op weg ergens naar toe. Of gewoon nergens naar toe. Waar ga je heen? Oh nergens. Ik zie ze voorbijkomen. Vanaf een mooi hoog plekje. Een cappuccino halen zou kunnen. Twee minuten lopen. De trap af en een lange gang door. Alleen nu even niet. Mag m’n kamer niet uit. Soort eenzame opsluiting. Strikte isolatie heet het. Wel af en toe wat aanspraak. Praat ik met iemand in een lichtgroene isolatiejas, blauwe handschoenen en een mondkapje. Even een nieuw infuus aansluiten. Ze zijn lief voor me. Als ze tijd hebben en dat hebben ze eigenlijk helemaal niet komen ze toch even een praatje met me maken. Mooie mensen.


Ik zat te tellen. Dit is week zestien in de afgelopen drie jaar. Zou ook een gemiddelde vakantie kunnen zijn. Ik had stevig de pest in toen ik vrijdag hier kwam. Al snel bleek dat ik mocht blijven. Besmettelijk en onbehandeld voor mij levensbedreigend. Kan er ook blind van worden. Dat is alleen jammer als je niet doodgaat natuurlijk. Het gepiep van de infuuspomp haalt me uit mijn concentratie. Ik probeer gewoon verder te schrijven door je dat te vertellen. Wordt dit nu een zielige blogpost? Nee, denk dat maar niet.
Ik heb zin om in die heerlijke druilige regen te wandelen. Nergens heen. Expres door een plas lopen. Ik zie zwaaiende ruitenwissers. Mensen die raar lopen naar hun auto. Een soort hardlopen. Ze mogen hier wel even droog zitten van mij. Kunnen ze gelijk een cappuccino voor me halen. Zorg ik voor een goed gesprek.
Vrijdag mag ik naar huis. Als het goed blijft gaan. Buienradar zegt dat dan de zon schijnt. Zal je zien, heb ik een keer zin in regen.

Vakantie

Even eruit. Rondje rijden door Duitsland. Dat doe ik af en toe. Paar uurtjes genieten. Ik kies een rustig tijdstip aan het begin van de ochtend. Je mag er wat harder dan de hier geldende maximumsnelheid. Dat is leuk.
Op een zeker moment zei iets of iemand me dat het niet klopte. In de verte gebeurde het. Er was eigenlijk niets te zien en toch was het er. Intuïtief ging ik naar rechts en langzamer rijden.
Even later werd het duidelijk. Op de linker rijbaan lag een fietsendrager met twee fietsen erop. Kippenvel op armen en benen. Ik had er ook met 150 km/u tegenaan kunnen rijden. Dan loopt het niet goed af.
Pluk de dag. Ik pluk er elke dag een. Krijg ik met succes een nieuwe nier en dan maakt een slordig bevestigde fietsendrager een einde aan m’n leven. Ik ben me bewust van mijn sterfelijkheid. Nierfalen en ander ongemak hebben me dat bijgebracht. Ik word natuurlijk ook wat ouder?.

Ik ben nog lang niet oud genoeg. En wat is oud genoeg? En waarvoor? Leeftijd is niet bepalend voor wat ik denk en doe. Het is een rare zelfopgelegde beperking als je jezelf ergens te oud voor vindt. Je struikelt over de mensen die op basis van hun leeftijd gaan voor een auto ‘met hoge instap’. Van de uitdrukking alleen al krijg ik last van mijn rug. Kom op zeg. Denk liever in mogelijkheden. Dat zegt niet dat alles moet. Wel dat het kan. Dat het mag van jezelf.

Ben jij al op vakantie geweest dit jaar? Of ga je nog? Ik ga niet. Dan maar geen vakantiegevoel. Of toch wel. Wat geeft me nou dat vakantiegevoel? Ga ik naar m’n vakantiehuisje aan het Comomeer, dan heb ik het. Komt een Italiaanse familie vakantievieren in mijn huis, dan hebben ze het ook. In beide gevallen heb je kilometers zicht. Naar boven. In mijn tuin zie je het Comomeer niet. M’n telefoon gaat ook in Italië. Dus niks meer rust in die zin.
Even uitproberen of het werkt: het zitje in mijn tuin is ongeveer even groot als het terras van m’n Italiaanse vakantiehuisje. Dat gaat goed. Lekkere stoelen en zon: hebben ze allebei. Met een mok thee ’s ochtends om half acht de tuindeur opendoen, lekker gaan zitten en de frisse lucht ruiken. Kan in allebei. Nu nog even het vakantiegevoel oproepen thuis. Ik doe m’n ogen dicht en stel me voor dat ik in Italië ben. Verrek, het werkt! Probeer het maar eens. Vakantiegevoel zit in m’n hoofd.

Hoef ik nooit meer op vakantie. Nou, niet zo haastig hoor. Vakantie is ook leuk. Lekker stukkie rijden door Duitsland. Me verbazen over het copy/paste landschap van Zwitserland. Blij worden van de ‘rommeligheid’ als je Italië binnenrijdt. La dolce vita.

Als jij op vakantie gaat en je hebt zo’n fietsendrager op de trekhaak van je auto, check dan even of ie goed vastzit. ’T is zonde als bij aankomst blijkt dat je je fietsen bent verloren.

Boomgaard

Een groot stuk van m’n moestuin is nog steeds niet gespit. Het is een grasveld geworden. Afgelopen jaren had ik hulp in mijn tuin. Dat was fijn. Nu wil ik het weer zelf doen. Ik kan het weer. Nieuwe nier, nieuwe kansen en bijna alles kan. Had ik gedacht ja. Stukje bij beetje ben ik een flink eind gekomen. Had ik voorheen minstens 80 soorten groenten en fruit. Ik tel er nu ongeveer 17. Niet zoveel en toch best een boel. Ik ben drie jaar ziek geweest. Tel m’n zegeningen.

Het gras zit me ondanks dat een beetje op m’n nek. Nu wordt m’n nieuwe leven toch opgesoupeerd door oude patronen en onmogelijk spitwerk.
Totdat ik zag dat gras ook goed is. Lijkt wel een soort scheppingsverhaal. Met hier en daar een appelboompje en een walnotenboom. Dan is het ineens een boomgaard! Verandert frustratie in rust, ruimte en welbevinden.

Ik moet nog nadenken of ik het gras dan langer laat groeien. Dan zaai ik er oude akkerbloemen en rode klaver tussen. Om het af en toe te maaien met de zeis. Heb er een. Zoek nog een echte oude. Kan ook de motormaaier gebruiken. Zien wat het beste kan. Allebei een beetje misschien. Doen wat ik kan. Niet dat ik doe wat ik kan in de gebruikelijke betekenis.
Mijn eigen filosofie nu eens op mijzelf toegepast. Ik zeg altijd: stel je doelen niet hoger dan wat binnen je bereik ligt. Anders bouw je de frustratie bij voorbaat in.
Heb ik wel wat nieuwe problemen om op te lossen. Zoals welke appelrassen ga ik planten. Heb nu twee Elstar boompjes. Het liefst wil ik een paar oude typisch Achterhoekse rassen. Honingzeuten, Hermien van Eibergen, of Heurns Roodje. Zien wat er voorbijkomt. Een blij idee.
Van de week het gras gemaaid. Vroeg opgestaan om de felle zon en de warmte voor te zijn. Is het ineens meer leuk. Het erge is dat ik moet wachten tot het najaar. Om boompjes te kopen en te planten. Het mooie is, dat het vanzelf najaar wordt. Het is al zomer!

Ruimte genoeg voor een boomgaard??

Zondag

Zondag. Het woord alleen al. Ben je je auto aan het wassen? Op zondag! Of de buurvrouw die in het voorbijgaan zegt ‘zondagswerk is niet sterk’ en dan vlug doorloopt. Ik hoor die opmerkingen eigenlijk nooit meer. Misschien omdat de opmerkers beducht zijn voor het antwoord. Of al in de hemel, of omdat het als niet gepast wordt ervaren. Dat zou mooi zijn.

Het zondagsgevoel is niet moeilijk oproepbaar. Het zit nog dicht onder het oppervlak. Dat gevoel van niet mogen spelen met een vriendje omdat die had gevraagd of ik een ijsje wilde. Op zondag. Als tienjarige aan je voetbalmaatjes moeten uitleggen dat je naar een andere voetbalclub moet. Dat je niet mee mag met de bus van Velsen naar Den Helder voor een voetbaltoernooi. Want op zondag. Dat alles uit vroomheid. Opdat eenieder kan zien dat we goede christenen zijn. Ik kende het woord nog niet. Het begrip had ik al snel door. Hypocrisie.

Een nieuw leven krijgen na m’n niertransplantatie zet me aan het denken. Waarom ik het nu nóg niet los kan laten. Zondagsgevoel. Boosheid, frustratie. Geloof is vast iets moois, voor wie het gelooft. Op het moment dat je anderen wil verplichten naar jouw geloof te handelen haak ik af. Verplichte winkelsluiting op zondag bijvoorbeeld. Stel je voor, ik zou kerken en klokgelui willen verbieden. Het land zou te klein zijn. Ik wil graag de brug slaan. Leven zoals ik het zie en ook een ander de ruimte laten om dat te kunnen. Niet de ruimte geven. Er is niks te geven, ruimte is geen exclusief bezit.

Ruimte ook in de zin van niet (ver)oordelen. Ik krijg de kriebels als iemand zegt het ‘jammer’ te vinden dat ik de dingen denk en doe anders dan op de voor hen uitverkoren wijze. Jammer is voor mij een hatelijke vrome uitlating. Hel en verdoemenis gewenst in één woord. Een afstandelijke spijtbetuiging omdat het met mij niets zal worden. In de hemel. Het is jammer dat het niet meer vriest als je wilt schaatsen op natuurijs. Dát is jammer.
Het is waarom het me aan het denken zet. Die boosheid. Mentale fantoompijn. Zoiets. Schoppen ze tegen m’n geamputeerde geloof.

Liefde voor het goede in mensen. Dat helpt, zegt ze. Een maatje dat wél gelooft. Ik vertrouw op haar.

Ik gooi reflexmatig de deur dicht. Vooral als er misstanden met ‘de mantel der liefde’ worden bedekt. Door gelovigen. De mantel der liefde heeft niets met liefde van doen. Helemaal niets.
Pech voor ‘would be’ christenen. Die dat graag zeggen. God gelooft er niets van denk ik.
Omgaan met mensen die christen zijn. Me verwonderen. Daar nieuwsgierig van worden. Dat wil ik.

Mijn beker, gewonnen bij de pupillen 7-kamp van de ‘verkeerde’ voetbalclub. #trotsop